Sitemap | ne | frans | engels
Een Vraag? Bel Ons: 0032 57 40 91 20

“Gedrag van Escherichia coli O157:H7 en Salmonella enterica tijdens de serreteelt van botersla”

De verdediging is donderdag 9 oktober 2014 om 16.00 uur in, Blok B B0.037, Fac. Bio-ingenieurswetenschappen, Coupure Links 653, Gent

Wat gebeurt er precies in sla, wanneer die tijdens het kweekproces in contact komt met kwalijke bacteriën, wetende dat je sla rauw eet en dat de bewuste bacteriën in sommige gevallen kunnen leiden tot voedselinfecties? Onderzoekster Inge Van der Linden stelt in haar doctoraat vast dat Salmonella en E. coli O157:H7 zowel kunnen overleven op slazaden, in irrigatiewater van serres als op kropsla, ook wel botersla genoemd, uit de Belgische serreteelt. Maar via genetisch onderzoek bewijst Van der Linden ook dat de bacteriën hun verblijf op de sla nogal stresserend vinden. In het binnenste kropgedeelte van de sla voelen ze zich nog het meeste thuis, omdat de omstandigheden daar vrij vochtig en constant zijn. Het grootste risico op een voedselinfectie doet zich dus voor als slaplanten kort voor de oogst besmet zouden worden, als ze met andere woorden al een mooie krop hebben waarin de bacteriën kunnen overleven. 


Wat is het probleem?

De laatste jaren is een toename vastgesteld in het aantal voedselinfecties na het consumeren van groenten en fruit. In vele gevallen was dat te wijten aan Salmonella en Escherichia coli O157:H7 (E. coli O157:H7), twee ziekteverwekkende bacteriën die voornamelijk met dierlijke producten zoals vlees eieren en zuivel worden geassocieerd. Hoewel de meeste meldingen afkomstig zijn van de Verenigde Staten, is ook Europa niet vrij van incidenten. 

De ‘EHEC crisis’ in Frankrijk en Duitsland in 2011 had bijvoorbeeld te maken met kiemgroenten die besmet raakten met E. coli O104:H4, een tot dan toe minder gekende ziekteverwekkende verwant van E. coli O157:H7. De uitbraak had zware gevolgen voor de volksgezondheid en op economisch vlak. Het onderstreepte het belang van onderzoek naar de risicofactoren voor de introductie en overleving van dergelijke ziekteverwekkers in groenten en fruit.
In België is kropsla een economisch belangrijke en populaire groente, maar tot nu toe was weinig bekend over mogelijke besmetting met Salmonella en E. coli O157:H7.  

Wat werd precies onderzocht?

Onderzoekster Van der Linden heeft in een eerste stap in kaart gebracht welke factoren de besmetting in de hand kunnen werken tijdens de serreteelt. Dat deed ze door  zaden, irrigatiewater en groeiende slaplanten kunstmatig en gecontroleerd te besmetten. De resultaten van de proeven bevestigden dat zowel zaden als irrigatiewater een mogelijke bron van besmetting kunnen vormen. Een belangrijk resultaat was dat de ziekteverwekkers langer dan twee jaar kunnen overleven op slazaad en bovendien in aantal toenemen wanneer deze zaden kiemen.
Bij besmetting via irrigatiewater werd aangetoond dat de overleving van de ziekteverwekkers sterk afhankelijk was van verschillen in waterkwaliteit tussen de verschillende serres.

Na de mechanismen van besmetting werd, in een tweede stap, de overleving van de bacteriën op de slaplant bestudeerd. De bacteriën werden op de bladeren van slaplanten aangebracht en vervolgens werd hun overleving onderzocht op verschillende bladeren van de slakrop, en op zowel jonge als bijna oogstklare slaplanten. De overleving en de groei van de bacteriën op de slabladeren was zeer variabel, en was afhankelijk van het groeistadium van de plant (kiemplant, jonge plant, krop) en vooral van de omgevingscondities, in het bijzonder de vochtigheid. De bacteriën bleken het vooral goed te doen binnenin de krop, waar ze beschut zitten en wwar het relatief vochtig is. Veranderingen in condities verminderden de overleving: in een laboratoriumtest met een constante hoge luchtvochtigheid overleefden de bacteriën op de sla, terwijl dat al veel minder het geval was in serrecondities waar meer schommelingen optreden. 

In een derde stap richtte het onderzoek zich op de bacteriën zelf, en meer bepaald op de genetische mechanismen die de bacteriën gebruiken om te overleven op sla. Genexpressie-experimenten brachten aan het licht dat E. coli O157:H7 zich op de plant in een gestresseerde toestand bevindt, en dat er een afname was in de expressie van verschillende genen die het ziekteverwekkend vermogen regelen, waaronder deze voor de Shiga-toxines. Dat zijn de stoffen die symptomen zoals nierfalen en bloederige diarree kunnen veroorzaken in een vergevorderd stadium van voedselinfectie. 

Wat betekent dat voor de producent en consument?

ILVO heeft de onderzoeksresultaten al gedeeld met de professionele kwekers van sla in serres. Zij zijn nu in staat om een betere inschatting te maken van mogelijke besmettingsrisico’s. Anderzijds kan verder onderzoek uitwijzen in hoeverre de beschreven genetische mechanismen een invloed hebben op de overleving en het ziekteverwekkend vermogen van de onderzochte bacteriën gedurende de verwerking en consumptie van de sla.






bron: Agripress    07:30:00|08/10/2014